Juf Anke jufanke.nl lesidee


  • Bal- & tikspelen
  • Bewegen op muziek
  • De parachute
  • Buitenspel


Balspelen

Bal doorgeven
De groep wordt verdeeld in 2 even grote partijen. De kinderen gaan in een rij achter elkaar staan. De eerste van elke rij krijgt een bal. Op een teken van de leerkracht geven de kinderen de bal om en om boven het hoofd en tussen de benen door naar het laatste kind. Als het laatste kind de bal heeft loopt het naar voren en begint het opnieuw totdat het kind dat als eerste begon weer vooraan staat. Het team dat als eerste klaar is wint.

Ballen gooien
De klas wordt in tweeën verdeeld. De ene groep kinderen zit achter een lijn aan de ene kant van de zaal, de andere groep zit aan de overkant. Tussen de groepen in is het veld. In het veld ligt een bal. Alle kinderen hebben een tennisbal. De kinderen moeten de grote bal met de tennisballen bij de groep aan de overkant over de lijn proberen te krijgen. (Of 1 lijn voor de lijn waar achter de groep zit). Ze moeten dus met de tennisballen tegen de grote bal mikken. De tennisballen komen zo vanzelf ook telkens aan de overkant, waardoor het spel altijd door kan gaan.

Chaos-doelenspel
Het veld wordt verdeeld in twee vakken. Achter in elk vak staan 4 of 5 pylonen met daarop een blokje. Elke pylon wordt verdedigd door één kind. De kinderen die over zijn wachten naast de vakken. Er zijn 3 of 4 (foam)ballen in het spel. De kinderen proberen met de foamballen de pylonen in het andere vak te raken zodat het blokje eraf valt. Lukt dit dan moet het kind waarvan de pylon geraakt is wisselen met een kind dat staat te wachten. De kinderen kunnen hun pylon verdedigen door te ballen te vangen of weg te slaan / schoppen.

Variant(en)
- Gebruik judomatten die rechtop staan i.p.v. pylonen. De kinderen moeten de judomat vasthouden. Een kind dat af gegooid is, gaat naar de kant. Op een gegeven moment zal de judomat vallen, omdat er niet meer genoeg kinderen zijn om de mat overeind te houden. Het team waarvan de mat valt heeft verloren.
- Zet 1 'speciale' pylon in elk vak neer. Als deze geraakt wordt moeten alle kinderen uit het vak wisselen.

Eilandbal
In de zaal liggen hoepels verspreid (de 'eilanden'). In elke hoepel staat een kind. Tussen de hoepels door lopen 3 à 4 kinderen. Er zijn ca. 5 ballen in het spel. De kinderen in de hoepels gooien de ballen naar elkaar over. De kinderen die tussen de hoepels doorlopen proberen ze te onderscheppen. Lukt dit dan wordt er gewisseld en mag het kind dat de bal onderschepte in de hoepel gaan staan. Als een kind bij het gooien of vangen buiten zijn hoepel komt moet het ook wisselen.

Variant(en)
- Laat bal overrollen i.p.v. overgooien.

Fopbal
Maak een kring. Iemand staat in het midden met de bal. Iedereen in de kring doet de handen op de rug. Degene in het midden gooit de bal echt of nep naar iemand. Wanneer de bal echt gegooid wordt, moet je hem vangen, wanneer de bal voor nep gegooid wordt, moet je je handen op je rug laten. Komen de handen toch tevoorschijn, dan ben je af en moet je gaan zitten.

Lummelen
Eén of meerdere spelers staan in het midden van een kring.
De kring gooit of schopt een bal over. De lummel moet proberen de bal te onderscheppen. Bij gooien moet de lummel proberen de bal te vangen. Bij voetlummel moet de lummel de bal aantikken met de voet.
Degene die de bal het laatst aangeraakt heeft moet nu de lummel zijn. Tenzij iemand de bal expres niet vangt/schopt. Dan is die persoon de lummel.

Kastbal
Voor dit spel heb je de helft van de zaal en de groep nodig (dus geschikt voor een gymles met hoeken). Kies een vak uit wat duidelijk te zien is met lijnen. In dit vak staat de kast, met daarop een pion. In het vak lopen een paar kinderen. Buiten de lijnen lopen wat meer kinderen. Zij gooien een bal naar elkaar over, maar mogen niet in het vak komen! De kinderen moeten proberen de pion van de kast te gooien, die door de kinderen in het vak bewaakt wordt. De kinderen buiten de lijn moeten zich verdelen over het vak, zodat er aan alle kanten iemand staat.

Chinees voetbal
Ga in een kring staan met de gezichten naar elkaar toe en de benen wijd open. Zorg ervoor dat je met je voeten tegen de voeten van de buurman staat. In het midden ligt een bal. Je maakt met 2 handen een vuist en slaat de bal zo door de kring. Probeer de bal bij iemand door het poortje te slaan.
Wanneer dat lukt krijgt die persoon een beperking.
De 1ste keer: je mag nog maar met één hand meedoen.
Gaat de bal dan weer onder jouw poortje door, dan moet je omdraaien, achterstevoren gaan staan met de benen open en mag je weer met 2 handen meedoen.
Gaat de bal dan voor de 3de keer door jouw poortje, dan moet je weer met één hand slaan. Gaat de bal een 4de keer door je poortje, dan ben je af.

Tik tak boem
De kinderen zitten in een kring op de grond. Zet geven een bal de kring rond. De bal moet netjes aan het volgende kind gegeven worden. Buiten de kring staat het kind dat de bom speelt. Hij/zij staat met de rug naar de kring en zegt: tik, tak, tik, tak, tik, tak, tik, tak... Ondertussen gaat de bal de kring rond. Dan roept de bom ineens 'boem!'. Het kind dat de bal op dat moment vast heeft is af en verlaat de kring. Het spel gaat weer verder.

Tikspelen

Vos kom uit je hol
Eén kind, de vos, zit onder een laken. De andere kinderen staan aan de andere kant van de zaal. Ze lopen op de vos af en roepen: "Vos kom uit je hol!". De kinderen komen steeds dichter bij. Ze blijven roepen: "Vos kom uit je hol!" Ineens komt de vos uit z'n hol en probeert zoveel mogelijk kinderen te tikken. Wanneer de kinderen weer aan de andere kant van de zaal zijn en achter een lijn staan (van tevoren afspreken) zijn ze vrij.
Soortgelijk spel: Wolfje, wolfje, ben je thuis?

Apenkooi
Zet in de gymzaal/speelzaal een heleboel toestellen neer. Hoe meer, hoe leuker de kinderen het zullen vinden. Denk aan de touwen met banken, om van bank naar bank te zwieren, de kast, de ringen, een dikke mat, een lange mat, de brug...
Als alle materialen staan, leg je tussen de materialen in hoepel of kleine matten neer, zodat de kinderen zonder de vloer te raken van het ene materiaal naar het andere kunnen komen.
Wijs één of twee tikkers aan. Geef ze een lintje om. De tikkers proberen de kinderen te tikken. De kinderen mogen niet van een toestel/mat/hoepel af gaan. Doen ze dit wel, dan zijn ze af.
Ook de tikkers moeten op de toestellen blijven. Kinderen die getikt worden gaan even op de bank zitten.

Chinese muur
De kinderen staan allemaal aan één kant van de zaal. Eén tikker staat in het midden. De kinderen rennen over. De tikker probeert kinderen te tikken. Als een kind getikt is, gaat het ook in het midden staan en houdt de hand van de andere tikker vast. De sliert van tikkers wordt zo steeds langer en het wordt steeds moeilijker om er omheen (of onderdoor!) te komen.

Ratten en raven
De kinderen staan in twee rijen in het midden van de zaal. De kinderen staan 2 aan 2 tegenover elkaar. De ene rij is de ratten, de andere rij de raven. De leerkracht vertelt een verhaal (terplekke bedenken). Valt in dit verhaal het woord "ratten" dan rennen de ratten zo snel als ze kunnen weg, naar de muur. De raven proberen de ratten voordat ze bij de muur zijn te tikken. Valt het woord raven in het verhaal, dan rennen de raven weg en gaan te ratten tikken. De kinderen spelen 2 aan 2, dus een kind mag alleen het kind tikken wat bij hem/haar hoort.

Staarttikkertje
Alle kinderen krijgen een lint (staart) achter in hun broek. Er is één tikker. De tikker probeert de staarten uit de broeken van de kinderen te trekken. Wanneer dit lukt, wordt het kind dat geen staart meer heeft tikker en krijgt de tikker de staart van het kind wat hij/zij getikt heeft. (Kan natuurlijk ook met 2 tikkers).

Poorttikkertje
Kinderen die getikt worden gaan op de plek waar ze getikt zijn met hun benen wijd staan. Kruipt er een ander kind door hun benen heen dan zijn ze weer vrij.
Variant(en)
- Kinderen gaan staan als 'bok'. Ze zijn vrij als een ander kind er overheen springt.

Banktikkertje
In de lengte van de zaal staan 2 of 3 banken tegen elkaar aan. Hier mag niemand overheen. Twee kinderen werken samen als tikker. Er mag er maar één tegelijk tikken, de ander zit op de bank. Wanneer de ene tikker gaat zitten staat de ander op en mag dan beginnen te tikken. Door goed samen te werken kunnen ze de groep 'opjagen' en hoeven ze zelf niet veel te rennen.

Diamantenroof
In het midden van de zaal liggen een aantal judomatten tegen elkaar aan (of de dikke mat) met daarop diamanten (pittenzakjes of blokken) Er is zijn 2 of 3 bewakers (de tikkers) en er zijn dieven (de andere kinderen). De dieven staan in hun huis (een hoepel) aan de rand van het speelveld. De dieven proberen de diamanten te stelen en naar hun huis te brengen. Ze mogen 1 diamant tegelijk pakken. Worden ze getik door een bewaker, dan moeten ze eerst weer terug naar hun huis (hebben ze op dat moment een diamant dan moet die weer op de mat). Het spel stopt als alle diamanten gestolen zijn. Eventueel wint het kind dat de meeste diamanten heeft gestolen.

Baltikkertje
Er zijn min. 2 tikkers. Er zijn een aantal ballen (bijv. 5) in het spel. De tikkers mogen de kinderen die een bal hebben tikken. De kinderen die een bal hebben moeten deze zo snel mogelijk kwijt zien te raken door hem aan een ander kind te geven (gooien mag niet! En de bal wijgeren ook niet!). Nu is het kind wat de bal had even vrij en moet de tikker achter het andere kind aan.

Elfjes in het bos
Leg een flink aantal hoepels in de zaal en een mat in het midden. Op de mat slaapt een heks. De overige kinderen zijn elfjes. Maak de lampen uit. Het is donker, nacht. De heks slaapt en de elfjes vliegen door de speelzaal. Wanneer de lamp aan gaat, wordt de heks wakker en probeert zoveel mogelijk elfjes te tikken, maar... de elfjes zoeken snel een holletje (= een hoepel). Eén elfje per hoepel. Wanneer de lamp weer uit gaat is het nacht en gaat de heks weer slapen. De elfjes lopen vrij rond.
Kinderen die getikt zijn gaat zitten of mogen gewoon mee blijven doen.

Nummerbal
Maak 2 rijen. De rijen gaan tegenover elkaar staan met daartussen een flinke ruimte. Zorg ervoor dat iedereen tegenover iemand staat.
In elke rij krijgt iedereen een nummer. Begin bij 1 en tel verder tot de laatste persoon.
In het midden van de ruimte tussen de 2 rijen ligt een bal.
De spelleider roept een nummer. Deze nummers rennen naar de bal toe. Als je de bal pakt, moet je er zo snel mogelijk mee terug naar je plaats. Máár, zodra één van de twee de bal pakt, mag de ander die persoon tikken. Wordt je getikt, dan heeft de andere groep een punt. Bereik je echter je plaats zonder getikt te zijn, dan heeft jouw groep een punt.

Vlaggenstok
Iedereen staat in een kring. Eén iemand loopt om de kring heen met een vlag of pet in de hand. Deze persoon houdt op een gegeven moment de vlag of pet tussen 2 personen in. Deze rennen zo snel mogelijk, in tegengestelde richting, om de kring heen. Als ze elkaar tegenkomen moeten ze elkaar een hand geven.
Wie is het eerst terug bij de vlag?
Deze persoon mag om de kring gaan lopen.

Staartpakkertje
De groep staat in een kring. In de kring staat iemand met een staart (lang lint of sjaal) achter in zijn broek. Eén persoon uit de kring wordt aangewezen en moet in de kring proberen de staart te pakken te krijgen. Lukt dit?
Dit kan ook gespeeld worden met iemand die met een bal stuitert en iemand die deze af moet pakken.

Petje leggen
Iedereen zit op de hurken in de kring, gewoon met ogen open. Er loopt iemand met een pet of ander voorwerp om te kring heen. Op een gegeven moment gooit hij/zij de pet achter iemand neer. Deze persoon moet zo snel mogelijk gaan tikken. De ander probeert de lege plek in de kring te bemachtigen.
Als je getikt wordt, moet je een liedje zingen in de kring.

Eilandenspel
In de speelzaal liggen allemaal hoepels. De hoepels zijn eilandjes. Om de eilanden heen zwemt een monster. Als de leerkracht fluit, komt het monster tevoorschijn en moeten de kinderen in de hoepels gaan staan.
Maar.. er wordt steeds een hoepel weggehaald. De kinderen moeten elkaar helpen en zorgen dat iedereen toch in een hoepel kan staan. Ook als er nog maar een paar hoepels over zijn. Er mogen dus meerdere kinderen in een hoepel staan.

Kat en muis
De kinderen staan in de kring met de handen vast. Eén kind is kat en staat in de kring. Eén kind is muis en staat buiten de kring. De kat moet de muis proberen te tikken. De kring probeert dat te verhinderen door de kat niet uit de kring te laten. Lukt het de kat toch uit de kring te breken, dan rent de muis zo snel mogelijk de kring in. De kring helpt de muis en laat hem binnen. Nu staat de kat buiten de kring en de muis in de kring. Lukt het de kat om de muis te tikken?

Reus en kabouter
Maak een kring, staand en met de handen vast. In de kring is één opening, dit is de deur van het kabouterhuisje. In de kring staat de kabouter. De reus staat buiten de kring. Hij klopt aan en vraagt: mag ik komen spelen? De kabouter heeft geen zin. De reus loopt weg en gaat buiten de kring liggen slapen. De kabouter sluipt er achteraan en maakt de reus wakker. Nu mag de reus de kabouter proberen te tikken. Maar... als de kabouter weer in zijn huis is (de kring), is hij vrij en heeft hij gewonnen.

 

Bewegen op muziek voor jonge kinderen

Leuk om te doen:
* Bewegen op het ritme van de trom. De leerkracht slaat hard, zacht en snel, langzaam op de trom. De kinderen lopen, rennen, huppelen, springen op het ritme van de trom.
* Dansen en bewegen met linten. Geef elk kind één of twee linten van crêpepapier. Dans hiermee rond in de speelzaal. Geef de kinderen opdrachten en doe voor wat ze kunnen doen. (Met de armen zwaaien, ronddraaien als een molen, grote cirkels maken, kleine cirkels, naar voor en achter zwaaien, cirkels maken boven je hoofd, rennen en springen met de linten, bewegen op muziek etc.)
* Dansen. Zoek leuke dansliedjes en dans hier met de kinderen op. De Animatie Compagnie heeft leuke liedjes waarbij gezongen wordt wat de kinderen moeten doen, zoals Tjoe Tjoe Wa, Ochtendgymnastiek, Superman, Cowboy Joe, Hockey Cockey, Doe maar lekker mee etc.
Misschien heeft een kind in de klas zo'n cd. Deze liedjes worden in de zomer op campings gedraaid bij het animatieprogramma.

Liedjes
Lopen lopen allemaal,
lopen lopen, ga maar lopen.
Lopen lopen allemaal,
sta nu even stil.
Springen, springen allemaal,
springen springen enz.
Hinkelen, kruipen, rollen enz.

De leerkracht zingt dit lied terwijl de kinderen uitvoeren wat er gezongen wordt. Als de kinderen stil moeten staan, worden ze een standbeeld.

Alle kinderen gaan nu zwemmen,
zwem, zwem, zwem, zwem, zwem.
Alle kinderen zijn nu kikkers
kwaak, kwaak, kwaak, kwaak, kwaak.
Alle kinderen gaan marcheren,
mars, mars, mars, mars, mars.
Alle kinderen gaan nu springen,
spring, spring, spring, spring, spring.
Alle kinderen... etc

De leerkracht verzint iedere keer iets wat de kinderen moeten doen. De kinderen lopen in een lange rij achter elkaar. De leerkracht zegt dit of maakt er en simpel liedje van.

Liedjes in de kring
Enkele leuke liedjes van vroeger.

Daar zat een klein zigeunermeisje
huilend op een steen.
Huilend, huilend, helemaal alleen.
Sta op, meisje lief, en droog je traantjes af
en kies een kindje uit de kring
want anders ben je af.
Tralalalala, tralalalalala etc.

Een grote kring maken. Alle kinderen wijzen naar het kind dat in de kring zit te huilen. Bij de vierde regel staat het kind op en kiest iemand uit om een dansje mee te maken.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één, dat is twee, dat is drie, dat is vier,
dat is vijf, dat is zes en dat is zeven!

De kinderen hebben de handen vast en lopen rond in een kring.
Bij één: los laten en rechtervoet in de kring zetten.
Het lied wordt vervolgens opnieuw gezongen.
Het lied wordt zeven keer gezongen en bij elke herhaling komt er iets bij.
Twee: linkervoet vooruit in de kring.
Drie: knielen op rechterbeen, vier: knielen op linkerbeen
vijf: rechterelleboog op de grond, zes: linkerelleboog op de grond
zeven: met het voorhoofd de grond aanraken.

Jan Huigen in de ton
met een hoepeltje erom
Jan Huigen, Jan Huigen,
en de ton die begon te buigen, te buigen
en die ton die viel... kapot!

De kinderen lopen rond in een kring. Bij buigen, buigen ze voorover en bij kapot vallen de kinderen achterover op de grond.

Joepie, Joepie is gekomen
heeft mijn meisje weggehaald
maar ik zal er neit om treuren
gauw een ander weer gehaald.
Tralalalalala etc.

De meisjes staan in de kring. Achter elk meisje staat een jongen. Eén jongen loopt rond en kiest een meisje met wie hij de kring ronddanst. Als het lied voor de tweede keer gezongen wordt, mag de overgebleven jongen een meisje uitzoeken en gaan de twee dansers op de opengevallen plaats staan. Als alle meisjes een keer gekozen zijn, is het spel uit.

Zakdoekje leggen, niemand zeggen
'k Heb de hele nacht gewaakt,
twee paar schoenen heb ik afgemaakt
één van stof en één van leer
hier leg ik mijn zakdoek neer.
Ik weet het al, ik weet het al,
waar ik mijn zakdoek leggen zal.
En van je 1, 2, 3!

Het kind wat de zakdoek nu achter zich ziet liggen, staat op en probeert het kind dat de zakdoek gelegd heeft te tikken. Dat kind probeert op de lege plek in de kring te gaan zitten, voordat hij getikt wordt.

Zeg, ken jij de mosselman
de mosselman, de mosselman
zeg, ken jij de mosselman
die woont in Scheveningen.

Ja, ik ken de mosselman,
de mosselman, de mosselman
Ja, ik ken de mosselman
die woont in Scheveningen.

Samen kennen wij de mosselman
de mosselman, de mosselman
samen kennen wij de mosselman
die woont in Scheveningen.

De kinderen staan in de kring. Twee kinderen staan in de kring tegenover elkaar. Het ene kind begint terwijl hij op de muziek zijn benen beurtelings opgooit en de handen klappend langs elkaar slaat. Bij het 2de couplet is de ander aan de beurt en hij antwoordt met dezelfde gebaren. Bij "samen" kruisen de twee de armen en dansen ze heen en weer door de kring. Nu kiezen beide kinderen een partner en begint het lied opnieuw. Het gaat door totdat iedereen in de kring een partner heeft.

't Regent op de brug
en ik word niet nat
ik ben nog iets vergeten
maar ik weet niet wat
Kom, mijn zusje dans met mij
beide handjes in de zij
heen en weer, op en neer
drie maal in de rondte
en ik dans niet meer.

De kinderen staan in een rij. Eén kind staat ervoor. Dat kind kiest een "zusje" uit. Beiden dansen dan met de handen in de zij heen en weer. Bij "drie maal in de rondte", haken ze de armen in elkaar en dansen in het rond.

Witte zwanen, zwarte zwanen
wie gaat er mee naar Engeland varen?
Engeland is gesloten
de sleutel is gebroken
is er dan geen smid in 't land
die de sleutel maken kan?
Laat doorgaan, laat doorgaan
wie achter is moet voor gaan.

Schipper mag ik overvaren, ja of nee?
Moet ik dan nog geld betalen, ja of nee?

'k Heb een brilletje al voor mijn ogen
om te zien wie er dansen mogen.
'k Heb een brilletje al voor mijn ogen
'k zie het al, ik dans met jou.

Wie gaat er mee, wie gaat er mee
naar de berg van Sint André?
En daar wonen zoveel kindertjes
en die leven daar in gloria, victoria!

Wie gaat er mee, wie gaat er mee
naar de berg van Sint André?
En daar wonen zoveel hondjes
en die leven daar in gloria, victoria!

De kinderen staan in een kring. Om de beurt mogen ze zeggen wie er op de berg wonen. Aan het eind van het couplet maken ze het geluid van dat dier.

Twee emmertjes water halen
twee emmertjes pompen
meisjes op de klompen
jongens op een houten been,
rij maar door mijn straatje heen
en van je ras ras ras
rijdt de koning door de plas
en van je voort voort voort
rijdt de koning door de poort
en van je erre, erre, erre
rijdt de koning door de kerk
van je één, twee, drie!

De kinderen staan in twee rijen tegenover elkaar, en houden elkaars handen kruislings vast en bewegen hun armen heen en weer. Bij "van je ras ras ras" laten ze elkaar los en doen een stapje naar achter, zodat de achterste twee rijen door naar de andere kant kunnen dansen.

 

Activiteiten met de parachute

De parachute is een heel groot, rond, kleurrijk doek waar je allerlei leuke dingen mee kunt doen! Hiervoor heb je veel ruimte nodig in een speel- of gymzaal of, bij mooi weer, buiten.
Heb je geen parachute op school? Dan kunnen de meeste van onderstaande activiteiten ook met een groot stuk, niet al te zwaar, plastic gedaan worden.

Hier volgen een aantal suggesties voor activiteiten met de parachute voor groep 1, 2 en 3:

In de zee
De kinderen gaan rondom de parachute zitten. Iedereen pakt de rand vast. We zitten in de zee. De parachute maakt kleine golfjes. Doe dit eventueel op rustgevende muziek. Eén voor één mogen er kinderen door de zee lopen. Zij lopen over de parachute.

Voorwerpen dansen op de parachute
Het is herfst. Het stormt. De kinderen staan of hurken rondom de parachute. De parachute beweegt op en neer. Gooi een aantal herfstbladeren (echt of nep) op de parachute. De bladeren dansen op en neer in de wind.
Deze activiteit kan je aan je thema aanpassen. Bijv. winter, sneeuwvlokken (watten), thema dieren, muisjes die op en neer dansen etc.

Een kleurrijke jurk
Eén kind kruipt naar het midden van de parachute. Hier zit een gat. Dit kind gaat in het gat staan. De andere kinderen staan om de parachute heen. Zij lopen rustig rond, zodat de parachute draait. Wat heeft het kind in het midden een mooie jurk aan!  

Krokodillenspel
De kinderen zitten op de grond met hun benen gestrekt onder de parachute. Eén kind kruipt onder de parachute, de krokodil! Dat kind moet zich kruipend, of nog liever, liggend, voortbewegen. De krokodil gaat op zoek naar benen die hij/zij onder de parachute ziet. De krokodil mag aan een paar benen trekken. Dat kind is dan gevangen en wordt de nieuwe krokodil!

Een bal op de parachute
* Laat een bal op de parachute rollen. Kunnen we ervoor zorgen dat de bal rondjes rolt? Zonder van de parachute af te vallen!
* Kunnen we proberen de bal door het gat te laten vallen?
* We bewegen de parachute rustig op en neer, zodat de bal gaat springen. Maar... de bal mag niet van de parachute af vallen.
* De bal zo hoog mogelijk de lucht in krijgen. Alle kinderen staan en houden de parachute vast. Op het teken van de leerkracht doet iedereen de handen omhoog (met de parachute). De bal vliegt de lucht in. Hoe hoog komt de bal? Kan de bal het plafond raken?
* Varieer met het aantal ballen. Gooi eens 2 ballen op de parachute.

Vormen maken
* Iedereen staat rondom de parachute. Op het teken van de leerkracht gooit iedereen de armen de lucht in en gaat de parachute omhoog. Houd de parachute goed vast! Als dit een paar keer geoefend is, kunnen er telkens 1 of 2 kinderen onder de parachute door lopen.
Daarna kun je dit uitbreiden naar bijv. alle jongens, alle meisjes.
* Gooi de parachute de lucht in, doe allemaal één stap naar binnen, breng de parachute omlaag achter je rug en ga er op zitten! Doe dit snel, zodat er zoveel mogelijk lucht in de parachute blijft. Als iedereen zit heb je een gezellig huisje, waar zelfs iemand in kan gaan staan!
* Gooi de parachute omhoog, houd hem goed vast en loop allemaal naar het midden. De parachute blijft hoog en wordt nu een soort ballon.
* Gooi de parachute omhoog en laat hem op het teken van de leerkracht allemaal los. Wat gebeurt er nu?

Kleurenspel
De kinderen houden de parachute op borsthoogte vast. De leerkracht noemt een kleur. De kinderen die bij die kleur staan, lopen onder de parachute door, naar de andere kant.

Buitenspel 

Deze spelletjes zijn natuurlijk ook in de gymzaal te spelen.

Tips:
- Speel deze spelletjes een paar keer met de kinderen, zodat ze enkele ideeën krijgen en enthousiast worden. Daarna kunnen de kinderen deze spelletjes zelfstandig spelen.
- Introduceer wekelijks een nieuw spel bij groepen die zelf weinig fantasie hebben. Het is ook mogelijk om wekelijks schoolbreed een nieuw spel voor de speelzaal te introduceren. Typ het spel uit en hang het op in de school. Speel het spel de eerste dagen met de kinderen.
- Neem een grote bak waarin je allerlei buitenspeelmateriaal verzamelt. Denk hierbij aan tennisrackets met zachte balletjes, een zachte, grote bal om te voetballen, oude hockeysticks, springtouwen, stieken, kleine balletjes, zachte rugbyballen, knikkers, stoepkrijt, hoepels....
- Print deze pagina en leg hem bij/in de buitenspeelbak. Zo heb je alle spelletjes binnen handbereik.

Boekentip!
Buitenspel in het zonnetje is een boek over het belang van buiten spelen voor het jonge kind (wel met name kleuters). Het boek beschrijft de competenties die een kind ontwikkelt tijdens buitenspel, de inrichting van de speelplaats, de materialen voor buiten spel en de rol van de leerkracht tijdens het buiten spelen. Een interessant boek en zeker handig als je de speelplaats eens op de schop wilt nemen! Ondere andere verkrijgbaar bij bol.com.

Buitenspel in het zonnetje

Groepjes maken voor een spel
Vertel de kinderen niet dat je groepjes gaat maken, het doel van de activiteit is geheim.
Alle kinderen gaan op een rij achter elkaar staan. Jij vertelt ze dat ze dadelijk, als jij tot 3 telt, naar rechts of naar links moeten springen. Je telt tot 3 en de kinderen springen. Nu heb je 2 groepen! Eén groep staat links en één staat rechts.

Chinese muur - overloopspel
Maak een veld. Alle kinderen staan op een rij aan één kant van het veld. In het midden staat één tikker. Als de tikker "ja" roept, mogen de kinderen naar de overkant rennen. De kinderen die getikt worden sluiten zich bij de tikker aan en vormen zo een sliert. De sliert mag nooit los gaan en alleen de twee buitenste kinderen mogen tikken. De tikkers moeten ook altijd "ja" roepen, voordat de kinderen mogen gaan rennen.

1 2 3 Chocomel - Loopspel
Eén kind staat tegen de muur en roept 1, 2, 3 Chocomel! De andere kinderen staan achter een lijn (net als bij Annemaria Koekoek) en lopen naar voren (naar de muur). Zodra het kind bij de muur zich omdraait, gaan alle kinderen zo druk mogelijk bewegen. Wie niet flink genoeg beweegt, moet terug naar de lijn.

2 Is te weinig, 3 is te veel - tikspel
Iedereen gaat in tweetallen staan. Vorm een kring zodat er telkens één persoon voor een ander persoon staat. Er worden een kat en een muis gekozen.
De kat moet de muis proberen te tikken. Lukt dat, dan wordt de kat de muis en omgekeerd.
Maar... de muis kan wegvluchten en zichzelf in veiligheid brengen. Hoe? Door voor een duo te gaan staan. De achterste persoon van dat duo wordt dan de nieuwe muis. Zo gaat het spelletje verder.

Omkijkertje - tikspel
Eén kind staat met het gezicht tegen de muur. De andere kinderen staan achter een lijn.
Deze kinderen proberen het kind dat tegen de muur staat te tikken, maar... als dat kind zich omdraait, mag het kind wat er naartoe wilde rennen niet bewegen. Hij/zij moet als een standbeeld stilstaan. Als dit kind toch loopt, moet hij/zij terug naar de lijn en opnieuw beginnen.
Als het kind bij de muur getikt wordt, mag degene die hem/haar aantikte de nieuwe tikker bij de muur zijn.

Vos kom uit je hol/wolfje, wolfje, ben je thuis? - basis tikspel
Een kind staat met het gezicht naar de muur. De andere kinderen sluipen erop af. Ze roepen "Vos kom uit je hol!". Wanneer de vos uit z'n hol komt, probeert hij zoveel mogelijk kinderen te tikken. De kinderen moet zo snel mogelijk naar een afgesproken plek rennen.

Vossen en kippen - overloopspel, tikspel
Aan de ene kant staat één kind, de vos. Aan de andere kant staan de andere kinderen, de kippen.
De vos vertelt wat hij wil eten. De kippen rennen naar de overkant, maar... als de vos iets met het woord kip zegt, dan probeert de vos de kippen te tikken.
De kippen zijn vrij als ze terug achtet de lijn zijn, of als ze de overkant gehaald hebben.
Variatie: een verteller vertelt wat de vos te eten krijgt. Is dit iets met kip, dán gaat de vos tikken.

Annemaria koekoek - wedstrijdspel
Eén kind staat met het gezicht naar de muur. De andere kinderen staan er een eind vandaan en sluipen dichterbij terwijl het kind roept: Annemaria koekoek! Dan draait het kind zich om. Alle kinderen die nog bewegen/lopen moeten terug naar achter. Wie het eerst bij de muur is wint.

Hinkelbaan
Maak met de kinderen een hinkelbaan van stoepkrijt of hoepels. De kinderen springen op hun eigen manier over de hinkelbaan, maar ze moeten wel in elk vak komen.
Variatie: leg iets op een vak, op dit vak mogen de kinderen niet komen. Of ze moeten dit juist proberen op te rapen, terwijl ze op één been staan.

Zandbal - balspel
Graaf enkele emmers in in de zandbak.
Gooi met een kleine bal (tennisbal) vanaf de zandbakrand. Probeer de bal in de emmer te mikken. Als alle ballen gegooid zijn, worden de ballen opgehaald en kunnen de kinderen opnieuw beginnen met mikken.

Fopbal - wedstrijdspel / balspel
Een aantal kinderen staan op een rij. Eén kind staat voor de rij met de bal. De kinderen hebben de handen op de rug. De bal wordt echt aangegooid of degene met de bal doet alsof hij/zij gooit. Komen de handen dan tevoorschijn? Dan is dat kind af en gaat op de grond zitten of doet een stap naar achter.

Jeu de boules - balspel
Er wordt een klein balletje weggegooid. Alle kinderen hebben een iets grotere bal, bijv. een tennisbal. Ieder mag één keer gooien. Van wie komt de bal het dichtst bij de kleine bal?

Lummelen - balspel
Ga in een vierkant staan (eventueel op lijnen die op de speelplaats staan). Eén of meerdere kinderen, afhankelijk van het aantal deelnemers, staan in het midden. De kinderen in het vierkant gooien over en de lummels proberen de bal er tussenuit te pakken. Lukt dit dan wordt er gewisseld en is het kind wat de bal verloor de lummel.

Tikkertje met de geheime verlosser - tikspel
Eén kind is de tikker. Dit kind gaat even weg. Er wordt een geheime verlosser afgesproken. De tikker komt kinderen tikken. De getikte kinderen gaan met de benen wijd staan of krom staan. Kinderen die langs komen kruipen er onderdoor/springen er overheen. Wanneer de geheime verlosser dit doet is het kind weer vrij. De tikker moet raden wie de geheime verlosser is!

ABC-spel - overloopspel
Alle kinderen staan aan één kant van het veld. In het midden staat een tikker. De tikker noemt een categorie (denk aan pim pam pet), bijv. een winkel, een bloem, een meisjesnaam, een dorp, een land...
Dan noemt de tikker in zijn hoofd de letters van het alfabet op. De kinderen roepen stop. De tikker noemt de letter.
Als een kind iets met deze letter weet, bijv. een bloem met een k - krokus, mag hij/zij naar de overkant van het veld lopen, zonder getikt te worden. Kinderen die niks weten te bedenken moeten rennen en de tikker mag hen tikken. Wie getikt is moet in het midden staan. Namen mogen geen twee keer in één ronde genoemd worden.

ABC-spel - bal- en tikspel
De kinderen staan in een cirkel en gooien een bal over. Elke keer als de bal naar iemand gegooid wordt, wordt er een letter van het alfabet genoemd, op volgorde. Dus: a, gooien, b, gooien, c, gooien d enz. Als de bal valt, moet het kind waarbij dat gebeurt met de letter die op dat moment aan de beurt is iets gaan zoeken op de speelplaats. Bijv. de bal valt bij de f, het kind rent naar het fietenrek, tikt een fiets aan en roept FIETS! Het spel gaat verder. Als de bal valt, mag het kind dat de bal gooide na 10 seconden het kind dat iets moet bedenken met een letter gaan tikken. Weet het kind dus niks te bedenken of denkt het te lang na, dan kan het getikt worden. Als je getikt bent krijg je de E van Ezel, de tweede keer de Z en zo verder. Wie EZEL heeft is af.

Drie is teveel - tikspel
Alle kinderen staan in tweetallen naast elkaar, verspreid over de speelplaats of in de gymzaal.
Er is één tikker en één loper. Als de tikker de loper getikt heeft, dan draaien de rollen om.
De loper mag zich altijd aansluiten bij een groepje van twee. Het derde kind (degene waar de loper niet naast staat, dus het kind aan de andere kant), wordt dan de loper.

Lekkerland / Viesland - tikspel, overloopspel
De kinderen staan achter een lijn. Er staat een tikker in het midden. Hij of zij noemt iets lekkers of vies' op. Aan de ene kant is achter een lijn "Lekkerland", aan de andere kant is "Viesland". De kinderen lopen naar de overkant of blijven staan.
Bijv. als de kinderen bij Viesland staan en de tikker roept "friet", zullen veel kinderen oversteken naar Lekkerland. De tikker probeert de overstekende kinderen te tikken.
Kinderen die getikt zijn, mogen mee gaan helpen met tikken.

Staarttikkertje - tikspel met wisselende "tikkers"
Nodig: enkele linten
Alle kinderen hebben een staart achter in de broek, op de tikkers na. Deze proberen de staarten af te pakken. Lukt dit? Dan mag de tikker de staart hebben en wordt het kind zonder staart de tikker.

Voetbal - balspel / teamspel
Geef de kinderen een zachte bal en maak van kleine pionnen een veld. Maak duidelijke afspraken en stel enkele regels vast. Geef één team lintjes aan en voetballen maar!

Moeder hoe laat is het? - basis tikspel
Moeder loopt voorop. De kinderen lopen er in een lange sliert achteraan en roepen telkens: "Moeder hoe laat is het?" Moeder noemt een tijd. Wanneer moeder zegt: bedtijd... rennen de kinderen weg en probeert moeder zoveel mogelijk kinderen te tikken. Op een bepaalde plek zijn de kinderen weer vrij en begint het spel opnieuw.

Boompje verwisselen - tikspel met vrije plaatsen
Nodig: stoepkrijt
Teken met stoepkrijt een aantal cirkels op de speelplaats. Alle kinderen hebben een cirkel, behalve de tikker. Je mag getikt worden wanneer je niet in een cirkel staat. Word je getikt, dan word jij de tikker. De kinderen kunnen bijv. naar elkaar wijzen en dan van cirkel wisselen of ze rennen gewoon naar een cirkel die vrij is.
Variaties: - Iets minder cirkels dan kinderen
- Wanneer er een ander kind bij jou in de cirkel komt, moet je eruit.
- Meerdere tikkers

Krokodillentikkertje - tikspel
Er is één tikker, de krokodil. Hij houdt zijn handen recht naar voren als een krokodillenbek. Op deze manier probeert hij andere kinderen te tikken. Wie getikt is, wordt ook tikker. Zo komen er steeds meer krokodillen!

Ongelukstikkertje - tikspel
Een tikspel waarbij de tikker één hand op de plek moet leggen waar hij getikt is. Met de andere hand moet hij tikken. Dus wordt je getikt op je been, dan houd je één hand op je been en de andere hand is vrij om te tikken.

Olifantentikkertje - tikspel
Er is één tikker, de olifant. Hij houdt met de linkerhand zijn neus vast en steekt zijn rechterarm door de opening. Op deze manier probeert hij andere kinderen te tikken.
Als een kind getikt is, wordt hij ook olifant en helpt mee met tikken.

Tv tikkertje - tikspel met vrije plaatsen
Er is één tikker. Wanneer de tikker bij je in de buurt komt, noem je een tv-programma. Je gaat dan met de armen over elkaar staan. Iemand kan jou bevrijden door bijv. onder je door te kruipen, een rondje om je heen te rennen of over je te springen (bokspringen). Kies één van deze regels om iemand vrij te maken.
Wanneer je getikt wordt, word je de tikker.
Variaties: - meerdere tikkers
- wanneer je getikt word, ga je langs de kant zitten
- een ander onderwerp dan tv-programma's, bijv. iets dat hoort bij de winter, iets dat hoort bij Sinterklaas, een woord met een k enz.

Tik maar mee - tikspel
Er is één kind tikker. Elk kind dat getikt wordt, gaat meehelpen met tikken.

Vlindervangertje - tikspel
Twee kinderen vormen een schepnet door elkaar aan beide armen vast te houden. Dit zijn de tikkers. De andere kinderen, de vlinders, moeten proberen niet in het schepnet te komen. Worden zij toch gevangen, dan gaan ze aan de kant staan, tot er een tweede kind gevangen is. Deze twee kinderen vormen dan samen een nieuw netje.

Volg de voorman - imitatiespel
Eén kind loopt voorop in de rij en loopt op een bepaalde manier. De andere kinderen doen hem na. Daarna mag een ander kind voorop dat iets voordoet en doen de anderen hem weer na enz.

School, bakker, huis - renspel
Teken drie lijnen op het schoolplein of zoek bestaande markeringen. Eén lijn is school, één bakker en één huis. De kinderen staan allemaal op "huis". Eén kind is de "leider" en roept "bakker", alle kinderen rennen naar bakker, dan roept dat kind school, alle kinderen rennen er naartoe, dan huis enz. Het gaat steeds sneller. De volgorde maakt niks uit.

Ratten en raven - tikspel met wisselende rollen
De kinderen staan 2 aan 2 op een lijn. Eén kind van het tweetal is rat, de ander raaf. Eén kind vertelt een verzonnen verhaal. Wanneer hij het woord rat zegt, vangen de raven de ratten (de ratten moeten wegrennen naar een andere lijn op de speelplaats). Wanneer de verteller raaf zegt, rennen de raven weg en vangen de ratten de raven.
Dit spel kan ook met de getallen t/m 10 gespeeld worden. De ene groep rent als in het verhaal 1 t/m 5 voorkomt, de andere groep rent bij 6 t/m 10.

De bal, de bal is voor... - balspel
Eén kind gooit de bal omhoog en zegt "de bal, de bal is voor.... (naam kind). Dat kind pakt de bal zo snel mogelijk en roept stop. Ondertussen rennen de andere kinderen zo snel mogelijk weg tot stop geroepen wordt. Het kind met de bal probeert de bal onder de benen van iemand door te gooien (het kind mag eerst 3 stappen zetten).

Wie heeft de bal het eerst? - renspel
Een kind heeft de bal, naast hem staat aan beide kanten een kind. Het kind gooit de bal weg en de 2 kinderen rennen er opaf. Wie heeft de bal het eerst? Dit kind heeft een punt.

Tegels tellen - rekenspel
De kinderen staan op een tegel op de speelplaats. Eén kind geeft opdrachten: 2 tegels naar voren, 5 tegels naar rechts, 12 tegels terug enz.

Jeu de boules
Ga achter een lijn staan. Gooi een voorwerp, bijvoorbeeld een blokje een stuk voor je op de speelplaats. Probeer met een bal of pittenzakje zo dicht mogelijk bij dit blokje te komen. Wie ligt er het dichtst bij?

Cijfer tikkertje
Schrijf de cijfers 0 t/m 9 op de stoep, kris kras door elkaar en ver uit elkaar.
Schrijf nu de namen van alle spelers op de tegels en schrijf achter elke naam een aantal (bijv. 5) cijfers.
De spelers pakken nu allemaal een krijtje. Iemand roept "start" en de spelers gaan zo snel als ze kunnen alle cijfers die bij hun naam staan aantikken. Telkens als er een cijfer is aangetikt, ren je terug naar je naam en streep je dat cijfer door. Dan ren je naar het volgende cijfer. De cijfers op volgorde aantikken!

Jager en prooi - tikspel in de kring
Maak een grote kring en wijs een jager aan. De jager gaat in het midden staan. Alle spelers bedenken een dierennaam en noemen deze hardop. De jager probeert te onthouden bij welk kind welk dier hoort.
Het spel begint. De jager roept welk dier hij wil vangen en rent er naartoe. De speler met de naam van dat dier, roept nu snel de naam van een ander dier, voordat hij getikt wordt. Nu rent de jager naar dat dier, die roept snel weer een andere naam.
Zo proberen de dieren de jager moe te maken en de jager probeert een dier te tikken. Lukt dit, dan is er een nieuwe jager.
Variatie: landen, plaatsnamen, tv programma's, namen van kinderen

Kat en muis in de kring - tikspel met hindernis
De kinderen staan in een kring met de handen vast. Eén kind is poes en één kind is muis. De poes staat in de kring, de muis loopt om de kring.
Wanneer de leerkracht (of een kind) het zegt, doen de kinderen in de kring de armen omhoog en maken zo poortjes. De poes kan de muis nu gaan vangen. Ze mogen door de poortjes rennen en dus in en om de kring rennen. Wanneer de leerkracht het zegt gaan de armen omlaag. Nu mag de muis wel onder de kleine poortjes door, maar de poes niet! Voor de muis ontstaat er zo een plaats waar hij niet getikt kan worden.
Variatie: meerdere poezen en muizen.

Muisje kom maar uit je hol - basis tikspel
Teken met stoepkrijt een grote cirkel (= muizenhol) met één opening op de speelplaats. De muizen staan in het hol. De poes (één kind) ligt in de opening te slapen. Nu kunnen de muizen zachtjes naar buiten sluipen om te gaan spelen. Als alle muizen buiten zijn wordt de poes wakker en probeert de muizen te vangen. De muizen moeten zo snel mogelijk door de opening terug het hol in. Hoeveel muizen heeft de poes kunnen tikken?

De kikker in de vijver - tikspel met bijzonder karakter
Teken met krijt een grote cirkel op de speelplaats (de vijver). Midden in deze cirkel teken je een kleine cirkel (een lelieblad). Eén kind is kikker en zit op de hurken op het lelieblad.
De kinderen zeggen: dag kikker. De kikker zegt: als je zin hebt, mag je bij mij in de vijver..... (hinkelen, springen, kruipen, op handen en voeten lopen).
De kinderen gaan de vijver in en doen wat de kikker zei. Als de kikker KWAK zegt, dan moeten de kinderen de vijver zo snel mogelijk verlaten en probeert de kikker kinderen te tikken.

Berenspel - overloopspel
Teken 2 grote cirkels op de speelplaats. Dit zijn de berenkooien. De cirkels moeten aan beide kanten vlak bij een muur o.i.d. zijn en tussen de twee cirkels moet ongeveer 2 meter zitten.
In beide kooien staat een beer (kind), een bruine beer en een ijsbeer. De andere kinderen moeten nu van de ene kant naar de andere kant rennen (niet door de kooien!) en de beren proberen ze te tikken. Getikt = in de kooi op de grond zitten óf je wordt ook beer en tikt dus mee.

De aap en de kokosnoot - tikspel met bijzonder karakter
De kinderen staan in de kring en hebben de handen vast. Miden in de kring ligt de cocosnoot (= bal of pittenzakje). Eén kind is de aap en loopt buiten de kring. Zonder dat de aap het ziet wordt een kind in de kring aangewezen als de boswachter.
De aap baant zich nu een weg door het "bos". Hij hakt twee handen van elkaar in de kring. De aap moet nu proberen de cocosnoot te pakken en de kring weer via de opening verlaten. Wanneer de aap de cocosnoot in zijn handen heeft mag de boswachter de aap proberen te tikken. Als de aap buiten de kring is, is hij veilig.

Slierttikkertje - tikspel
Eén kind is tikker. Wanneer hij iemand getikt heeft pakken deze kinderen elkaars hand en zijn samen tikker. Wanneer er weer iemand getikt wordt sluit deze zich aan bij de sliert. Wordt er een vierde persoon getikt, dan gaan de tikkers verder in tweetallen.
Variatie: slierten van drie kinderen, vier of zelfs alle kinderen die getikt worden aan één sliert.

Australisch loopspel - tikspel
Er wordt een groot vierkant uitgezet. Op iedere hoek staat een groepje van 2 of 4 kinderen. Op een teken gaat van ieder groepje één kind rond het vierkant rennen (met de klok mee). Hij of zij loopt helemaal rond en weer bij zijn of haar eigen groepje gekomen, vertrekt de volgende. Als iemand onderweg iemand van de andere groep inhaalt en tikt, dan wordt het spel stilgelegd en moet de getikte persoon achteraan aansluiten bij het groepje van de tikker. Hierna gaat het spel weer verder. Uiteindelijk zal er maar één groep overblijven.

Chinees loopspel - estafette
Op de stoep trek je een lange lijn met aan het einde een pion. De spelers staan aan het begin van de lijn. De eerset van de rij rent naar de pion toe, over de lijn. Stapt hij of zij naast de lijn, dan moet er van voor af aan worden begonnen. Aan het einde van lijn staat de pion. Daaromheen moeten 10 rondjes worden gelopen. Dan weer zo snel mogelijk terug naar het begin. Maar stapt de loper nu naast de lijn, dan gaat hij/zij terug naar de pion en draait nog 5 rondjes. Net zolang, totdat de loper terug bij de groep is. Welke groep is het eerst klaar?

Zweeds loopspel
Bedenk 20 meerkeuzevragen. Hang de vragen op het schoolplein. Verdeel de klas in tweetallen en geef elk tweetal een antwoordlijst. Elk tweetal begint bij een andere vraag. Eén van de twee rent naar de vraag, lost hem op en rent terug om de ander de letter die achter het goede antwoord staat te geven. Die schrijft de letter op bij het nummer van de vraag en gaat dan op weg om de volgende vraag te beantwoorden. Als alle vragen zijn beantwoord, vormen de letters een zin. Het groepjes dat de zin als eerste goed heeft, is de winnaar.

Tip: een lijst met heel veel geweldige spelletjes van de chiro (scouts) in België, klik hier.